Zoals u weet geldt sinds dit jaar de Wet Excessief Lenen bij de eigen vennootschap. Wanneer een dga meer dan € 700.000,- (2023) heeft geleend van zijn eigen BV, dan wordt het meerdere belast in Box 2. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met leningen aan verbonden personen. Eigenwoningleningen kunnen vaak buiten de berekening worden gelaten. Bij de behandeling van het Belastingplan 2024 had de Tweede Kamer nog een verrassing op dit vlak in petto. Zonder enige aankondiging werd namelijk de grens van € 700.000,- verlaagd naar € 500.000,- in 2024. Weliswaar het bedrag dat ooit in het wetsvoorstel stond, maar toch onverwacht. Dit betekent dat dga’s per 31 december 2024 een nieuw hoepeltje hebben waar ze doorheen moeten springen.

Deze bijdrage gaat over de vraag hoe wenselijk dit nu allemaal is. In wezen is deze wetgeving er gekomen omdat de fiscus er niet in slaagt om dga’s die veel geld lenen van hun BV aan te pakken. Immers, wanneer de Belastingdienst kan aantonen dat de opgenomen gelden het vermogen van de BV definitief hebben verlaten en er dus niet verwacht wordt dat deze nog ooit worden terugbetaald, dan kan zij ook zonder de Wet Excessief Lenen komen tot een belaste dividenduitkering. De politiek heeft echter anders besloten, mede door onrealistische beelden zoals dat Box 2 de nieuwe pretbox is.

Speeltje
Weet u waar ik voor vrees? Dat de Wet Excessief Lenen het volgende speeltje is dat door politieke partijen wordt gebruikt om hun nieuwe plannen te financieren. Een lot dat het tarief voor de vennootschapsbelasting inmiddels al ten deel is gevallen. Want ja, niets is zo makkelijk als volgend jaar de grens verder te verlagen tot bijvoorbeeld € 400.000,- om gratis kinderopvang/ compensatie energielasten/ hogere studiefinanciering of welk plan dan ook te financieren. Ik vind het prima dat de politiek graag bepaalde groepen helpt wanneer ze het moeilijk hebben. Maar doe dit niet door andere groepen burgers en bedrijven bovenmatig aan te pakken. Daarmee creëer je alleen maar tegenstellingen in onze maatschappij die toch al moeite heeft om met elkaar verbonden te blijven. Bovendien hebben ondernemers en ondernemingen het wel verdiend om na jaren van onvoorspelbare fiscale wijzigingen enkele jaren in relatieve wetsgevingsrust door te brengen.

Hoe deze nieuwe plannen dan gefinancierd moeten worden? Wellicht moet de overheid eens naar zichzelf kijken. De laatste jaren is zij steeds omvangrijker geworden. Steeds meer mensen werken bij de overheid en een steeds groter deel van ons verdiende geld wordt door de overheid uitgegeven. Bovendien wordt zij inmiddels door veel burgers gezien als een soort verzekeringsmaatschappij die hun problemen oplost. We moeten hiervan af en terug naar een kleinere overheid die zich richt op haar kerntaken. Alleen daarmee kan de fiscale heffing voor alle partijen in ons land draagbaar blijven. Zeker wanneer we rekening houden met de gigantische kostenposten die de komende jaren op ons land lijken af te komen in het kader van migratie, klimaatverandering en het zorgstelsel (vergrijzing). De tijd dat ondernemers zonder morren een nieuwe tegenslag op zich nemen is voorbij. In de fiscale praktijk zien we dat veel ondernemers hierdoor concrete plannen hebben om te emigreren. Als we het verdienvermogen van ons land wegpesten, dan zijn we uiteindelijk allemaal slechter af.