De 65-jarige van tegenwoordig is niet meer de 65-jarige van veertig jaar geleden. 65-plussers werken steeds langer door en blijven langer actief dan vroeger. Gelukkig ook vaker in goede gezondheid. Waar vroeger iemand soms al met 61 jaar achter de geraniums werd gezet, is dat nu bijna ondenkbaar. Vandaar ook dat veel dga’s er voor kiezen om hun pensioen uit te stellen en door te werken. De tegengestelde beweging komt ook nog voor; sommige dga’s willen na een periode van hard werken liever nu al van het pensioen genieten. De vraag is vervolgens hoe fiscaal moet worden omgegaan met het vervroegen of uitstellen van een pensioen.

Het uitstellen van het pensioen na het bereiken van de pensioendatum mocht vroeger alleen voor zover de pensioengerechtigde daadwerkelijk doorwerkte (doorwerkvereiste). Dit vereiste is per 1 januari 2017 afgeschaft. De dga mag de pensioeningangsdatum uitstellen tot uiterlijk vijf jaar na ingang van de AOW-gerechtigde leeftijd, zie hiervoor art. 18a(4) LB. Gedurende dit uitstel mogen (niet meer in eigen beheer) nog wel pensioenrechten worden opgebouwd. Na het uitstel moet deze opbouw stoppen. Opbouw van wezenpensioen en partnerpensioen is na die tijd nog wel mogelijk, zie V&A CAP 20-007. Het pensioen dient bij het uitstellen van de ingangsdatum actuarieel te worden opgerent. Zo niet, dan kan materieel sprake zijn van partieel ‘afzien van pensioen’. De waarde in het economische verkeer is dan onmiddellijk belastbaar met LB/IB. Een reeds ingegaan pensioen kan in beginsel niet worden uitgesteld.

Planning mogelijk

Stel een dga van 58 jaar heeft via zijn holding de werkmaatschappij verkocht. Hij kan voor de financiering van zijn levensonderhoud kiezen tussen het interen op vermogen (box 3) en het (eerder) laten ingaan van zijn pensioen (actuarieel herrekenen). In beginsel is het voordelig om de ingang van het pensioen zo lang mogelijk uit te stellen. Immers, daarmee wordt de heffing van inkomstenbelasting ook uitgesteld. Bovendien is er na het ingaan van de AOW geen AOW-premie meer verschuldigd.

Het is echter denkbaar dat bij het eerder laten ingaan van het pensioen en het bijbehorende uitsmeringseffect een gunstiger IB-tarief wordt verkregen. Stel dat het toekomstige pensioen (zonder vervroegen) onder het IB-toptarief zal vallen. In dat geval is het mogelijk voordelig om met gebruikmaking van de 100:75-variabliseringsregel het pensioen zodanig te vervroegen dat in de beginjaren het inkomen in een lagere tariefschijf valt. Hiervoor is wel enig puzzelwerk en planning noodzakelijk.

Vervroegen

Het vervroegen van de pensioendatum onder actuariële herrekening van de aanspraken is fiscaal toegestaan. Stel dat iemand op AOW-datum bij voortzetting van de dienstbetrekking een ouderdomspensioen zal opbouwen van 40.000 euro per jaar. Zijn pensioenregeling maakt het mogelijk om eerder met pensioen te gaan. De werknemer besluit om op zijn 64ste verjaardag met pensioen te gaan, drie jaar eerder dan de reguliere pensioendatum van 67 jaar. Hij mist daardoor enkele opbouwjaren en de uitkering moet over een langere periode worden uitgesmeerd. Dit geeft een dubbel negatief effect op de hoogte van de uitkering. Een vuistregel is dat de uitkering 7 procent per jaar lager wordt voor elk jaar dat de pensioengerechtigde eerder met pensioen gaat. In dit geval betekent dit zodoende een verlaging met 21 procent tot 31.600 euro. Vanwege de progressie van het IB-tarief en de inkomensafhankelijkheid van de algemene heffingskorting is de netto verlaging lager dan 21 procent, maar het blijft natuurlijk een fors verschil. Hierbij is het ook van belang om te beseffen dat de pensioengerechtigde ook het gemis aan AOW-uitkering in de pre-AOW-periode moet opvangen.

Bron: Fiscaal Totaal