In deze zaak is in geschil de aftrekbaarheid van aanloopkosten. De rechtbank (Rechtbank Den Haag, 19 september 2017, 17/505, ECLI:NL:RBDHA:2017:9854) buigt zich over de vraag of hier sprake is van een bron van inkomen en met name of sprake is van een objectieve voordeelverwachting.

Feiten
In 2014 is belanghebbende gestart met het opzetten van een kledingwinkel. Zij hield zich bezig met activiteiten gericht op het ontwerpen en verkopen van vrouwenmode voor de werkende zakelijke vrouw. Daartoe heeft zij een winkelruimte gehuurd en ingericht. Tevens heeft zij voorraad ingekocht bij een producent in Turkije. Eind 2014 zijn de activiteiten van belanghebbende gestaakt. In geschil is of de kosten voor het opzetten van een kledingwinkel aftrekbaar zijn. Voor het antwoord op de vraag of de kosten aftrekbaar zijn is van belang vast te stellen of sprake is van een bron van inkomen.

Voorwaarden
Volgens vaste jurisprudentie worden drie voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het subjectieve oogmerk om voordeel te behalen, en de objectieve verwachting dat het voordeel redelijkerwijs – in de toekomst – kan worden behaald. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat van een objectieve voordeelverwachting geen sprake was.

Uitspraak Rechtbank
Rechtbank Den Haag, 19 september 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:9854 overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of een voordeel redelijkerwijs is te verwachten, onderzocht dient te worden of de desbetreffende activiteiten voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn, dan wel dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij de desbetreffende persoon positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren. Of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting dient te worden getoetst op het moment van aanvang van de betreffende activiteiten. Omdat belanghebbende op een goede locatie een winkelruimte heeft gehuurd, voorraad heeft ingekocht en over de ervaring en kunde beschikte om van haar activiteiten een succes te maken, achtte de rechtbank een objectiever voordeelsverwachting aanwezig. Dat de bank een kredietaanvraag van belanghebbende weigerde om de ondernemingsactiviteiten te financieren achtte de rechtbank niet van belang. De rechtbank merkt de activiteiten aan als winst uit onderneming.