Algemeen
Een moedermaatschappij kan op verzoek samen met een of meer (klein)dochtermaatschappijen waarin een belang van ten minste 95% wordt gehouden, worden aangemerkt als een fiscale eenheid. De resultaten van de dochtermaatschappijen worden voor de vennootschapsbelasting dan toegerekend aan de moedermaatschappij. Het voordeel van deze consolidatie is onder andere dat verliezen van de ene maatschappij direct kunnen worden verrekend met winsten van de andere maatschappij en dat slechts één aangifte vennootschapsbelasting hoeft te worden gedaan.

Belangrijk is dat aan alle wettelijke vereisten moet zijn voldaan alvorens een fiscale eenheid tot stand komt. Als op enig moment niet meer aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan, dan eindigt een fiscale eenheid van rechtswege, dus zonder enige ambtelijke handeling. In zijn arrest van 1 december 2023, nr. 21/05174, 

, is de Hoge Raad ingegaan op de vraag of de Inspecteur terug mag komen op een eerder afgegeven fiscale-eenheidsbeschikking ten nadele van de belastingplichtige. De beschikking fiscale eenheid is dus in eerste instantie afgegeven, maar de Inspecteur is daarvan op een later moment terug gekomen.

Feiten
Belanghebbende handelt in bouwmaterialen. Op 29 november 2010 heeft zij met een derde (B) deelgenomen in A BV die op haar beurt participeerde in een CV. De CV heeft op 16 december 2010 voor € 20.396.000 geïnvesteerd in een schip. De inspecteur heeft bij beschikking van 21 maart 2011 verklaard dat A BV vanaf oprichting is gevoegd in een fiscale eenheid Vpb met belanghebbende. De belanghebbende heeft vervolgens als moeder van de fiscale eenheid vermindering verzocht van haar voorlopige aanslagen Vpb 2010 en 2011 en verkregen wegens willekeurige afschrijving op de investering in het schip.

De derde was contractueel verplicht om op 1 april 2011 een onherroepelijk en onvoorwaardelijk bod te doen op belanghebbendes aandelen in A BV tegen een bepaalde prijs (de put optie). Op 30 januari 2012 heeft de belanghebbende de put optie gebruikt door haar aandelen A BV voor € 1 over te dragen aan de derde.

De Inspecteur heeft de belanghebbende op 29 oktober 2015 naar aanleiding van een derden-onderzoek bericht dat door de put optie haar de waardeontwikkeling van de aandelen A BV niet aanging en dat daarom nooit is voldaan aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid, zodat geen fiscale eenheid tot stand is gekomen. Hij heeft bij navorderingsaanslag Vpb 2010 de willekeurige afschrijving bij de belanghebbende teruggenomen en het voor 2010 bij beschikking vastgestelde verlies herzien.

Geschil
In geschil is met name of in 2010 een fiscale eenheid Vpb tussen de belanghebbende en A BV bestond.

Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad overweegt in zijn arrest van 1 december onder verwijzing naar oudere jurisprudentie (HR 17 april 2015, 

 en HR 18 februari 2022, 

) dat de betekenis van een fiscale-eenheidsbeschikking niet zo ver gaat dat zij tot gevolg heeft dat een fiscale eenheid ontstaat in gevallen waarin niet aan de vereisten voor een fiscale eenheid is voldaan. Intrekking of herziening van de fiscale-eenheids-beschikking is in deze gevallen daarom niet nodig. Dit sluit ook aan bij de regeling van artikel 15, lid 6, aanhef en letter a, van de Wet Vpb op grond waarvan een fiscale eenheid van rechtswege eindigt indien niet langer aan de gestelde eisen wordt voldaan. De Hoge Raad oordeelt dat een fiscale eenheid dus niet contra legem tot stand kan komen. De Hoge Raad verwijst het geding naar Hof Arnhem-Leeuwarden ter beoordeling of sprake is van een in rechte te beschermen opgewekt vertrouwen. Het beroep op de beschikking moet worden afgewezen als bij de aanvraag onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verstrekt of de juiste en volledige inlichtingen zijn onthouden terwijl belanghebbende redelijkerwijs had moeten weten dat de Inspecteur daardoor niet goed in staat was om de aanvraag te beoordelen.

Belang voor de praktijk
Uit de uitspraak van de Hoge Raad blijkt dat er meer ruimte voor de Belastingdienst bestaat om af te wijken van eerder afgegeven fiscale-eenheidsbeschikkingen. Als vanaf het begin af aan niet aan de wettelijke vereisten voor een fiscale eenheid is voldaan, dan is zij nimmer tot stand gekomen. Een intrekking of herziening is door de Belastingdienst is dan helemaal niet nodig. In het geval van belanghebbende is het gevolg dat interne verliesverrekening dan achteraf niet is toegestaan.