In de praktijk treden er regelmatig geschillen op tussen de Belastingdienst en in het buitenland gevestigde beleggingsfondsen over een recht op teruggaaf of afdrachtvermindering van ingehouden Nederlandse dividendbelasting.

Vaak draaien deze geschillen over de vraag of sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, meer in het bijzonder discriminatie van buitenlandse beleggingsfondsen ten opzichte van Nederlandse beleggingsfondsen.

In een recente zaak voor de Hoge Raad (HR 22 maart 2024, 23/02607, ECLI:NL:HR:2024:480) spitst de kwestie zich toe op het controlebeleid van de Nederlandse Belastingdienst. Daarbij gaat het om de vraag of het controlebeleid ten aanzien van het recht op teruggaaf van dividendbelasting discriminerend is. In deze zaak draait het dus uiteindelijk om de bewijslastverdeling.

De zaak

De zaak betreft één van de elf cassatieberoepen van niet-ingezeten beleggingsfondsen (hierna belanghebbende) die op basis van het vrije kapitaalverkeer om teruggaaf van dividendbelasting hebben verzocht. Eén belangrijk argument dat daarbij door belanghebbende was ingenomen is dat deze vergelijkbaar zou zijn met inwonende fiscale beleggingsinstellingen (fbi’s). De elf zaken zijn vrijwel identiek wat betreft de bedragen en de tijdsperiodes. Enkele hebben betrekking op het fbi-regime tot 2008 (waarbij de teruggaafregeling van toepassing is) en enkele hebben betrekking op het fbi-regime vanaf 2008 (waarbij de afdrachtvermindering van toepassing is).

Eerder had de rechtbank geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat niet-ingezeten beleggingsinstellingen, gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een afdrachtvermindering op die inhouding. De afwijzing van de teruggaafverzoeken door de inspecteur was naar het oordeel van de rechtbank daarom terecht.

De betreffende zaak wordt door het Hof echter uiteindelijk niet beslecht door de vergelijkbaarheid van niet-ingezeten beleggingsfondsen met inwonende beleggingsfondsen te beoordelen. In de betreffende zaak heeft de Inspecteur in hoger beroep kennelijk primair een andere aangevoerd. Teruggaaf of afdrachtvermindering zou naar het oordeel van de inspecteur geweigerd moeten worden omdat belanghebbende, ondanks herhaalde verzoeken van de Inspecteur, geen dividendnota’s of ander bewijs heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij gerechtigd was tot Nederlandse dividenden en dat er Nederlandse dividendbelasting is ingehouden. Volgens de Inspecteur bestaat er alleen al om die reden geen recht op teruggaaf, omdat niet kan worden vastgesteld of en door wie hoeveel dividendbelasting is ingehouden.

De Inspecteur merkte daarbij vervolgens op dat belanghebbende objectief niet vergelijkbaar is met een inwonende fbi die verplicht is tot het doen van uitkeringen en inhoudingen.

Het Hof gaat in hoger beroep vervolgens mee in die primaire grond van de inspecteur. Voor het Hof komt de zaak er in de kern op neer of het beleggingsfonds kan aantonen dat zij aan de voorwaarden heeft voldaan. Nu de Inspecteur in dit geval heeft betwist dat de belanghebbende aan de voorwaarden voor teruggaaf voldoet, is het aan de belanghebbende om feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat hij wel aan die voorwaarden voldoet. Onduidelijkheid daarover en bewijsnood komen naar het oordeel van het Hof voor rekening van belanghebbende. Het Hof stelt vervolgens op basis van de stukken vast dat de belanghebbende, hoewel deze diverse malen daarop en op mogelijke gevolgen is gewezen, geen dividendnota’s heeft overgelegd of op een andere manier inhoudelijk is ingegaan op het standpunt van de inspecteur. Ook stelt het Hof vast dat niet gesteld of gebleken is dat uitreiking van dividendnota’s achterwege kon blijven. Nu belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat en zo ja, hoeveel Nederlandse dividendbelasting ten laste van belanghebbende in de betrokken jaren is ingehouden is naar het oordeel van het Hof niet komen vast te staan dat en tot welk bedrag de teruggevraagde dividendbelasting ten laste van de belanghebbende is ingehouden.

Belang voor de praktijk

Uit deze uitspraak blijkt wederom dat het van belang is om elke keer goed te beoordelen hoe de bewijslast is verdeeld en of en op welke wijze daaraan kan worden voldaan. Uit de uitspraak wordt ook de opening gelaten dat belanghebbende op een andere wijze dan met het verstrekken van dividendnota’s kan aantonen dat en hoeveel Nederlandse dividendbelasting te zijnen laste is ingehouden.

bron: Fiscaal Totaal